Amparo Cortés
 
Amparo Cortés canta por bulerías : A mi padre Manuel
 DATOS   VIDEOS   PRENSA   ENLACES   PRÁCTICAS DE GUITARRA
 BIOGRAFÍA   GALERÍA   DISCOGRAFÍA   FORMACIONES   CONTACTO 
 castellano   français   english 
Amparo Cortés
  Amparo Cortés

Ze werd geboren in Sevilla, in de wijk Cerro del Águila.
Haar grootmoeder Engracia Jiménez Reyes is een dochter van de grote soleá-zangeres La Gilica, en zuster van gitarist Miguel de Marchena en zanger Juan el Cuacua. Ze is ook een volle nicht van gitaarmeester Melchor de Marchena (Melchor Jiménez).
Aan grootmoederskant zijn veel muzikanten bekend: behalve grootmoeders moeder en haar broers, namen als El Chindo, oom El Lico et zijn drie zonen Melchor de Marchena, Miguel Jiménez en Chico de Melchor.
Een zus van haar grootmoeder, Rosario Jiménez, huwde met haar neef Miguel Jiménez, broer van Melchor de Marchena.
De vader van Amparo, Manuel Cortés Jiménez, als danser en zanger beter bekend onder de bijnaam Gitanillo de Marchena, had een broer, Juan Cortés Jiménez, die op gitaar een echte belofte was, maar gedurende de burgeroorlog op mysterieuze wijze verdween. Het laatste wat men zich van hem herinnert, net voor zijn verdwijning, is zijn kort gesprekje op het stationsperron met gitarist Niño Ricardo, toen beiden van een concert terugkwamen.
Ook aan de kant van grootvader Antonio Cortés Heredia zijn artiesten bekend, zoals Tate Cortés om er maar een te noemen.
Onder de huidige nazaten van die gitanofamilie heb je talrijke gitaristen, zoals Amparo's neef Enrique de Melchor, bekende grootmeester op de gitaar, en de neef (oomzegger) van Enrique: Melchor Jiménez, of nog de nakomeling van de al vermelde Rosario Jiménez, zuster van grootmoeder Engracia: Eugenio Iglesias Jiménez, die gitaar speelde in de Compagnie van Cristina Hoyos, en zijn broers Miguel en Paquito. En vergeten we ook niet Amparo's eigen zoon José Cortés, die voortaan zijn moeder op gitaar begeleidt.
Amparo's grootouders vestigden zich in Sevilla, en ook grootmoeders zuster en de broer van Melchor de Marchena. Samen woonden ze in een gebouw met meerdere woningen rond een binnenplaats waar alle buren samenkwamen om verjaardagen en andere evenementen te vieren, of gewoon om te zingen en te dansen en de dagelijkse bekommernissen te vergeten die het regime van Franco veroorzaakte.
Onder de herinneringen van haar kindsheid en tienertijd ziet Amparo de talrijke artiesten terug die langskwamen en in die patio plaatsnamen, allemaal mensen met wie haar vader samenwerkte: La Perla de Cádiz, Gordito de Triana, Antonio Mairena, Pepe Pinto, Pepe Marchena, Porrina de Badajoz, Bení de Cádiz, Lola Flores, Paquera de Jerez.
Met al die herrineringen in haar kartonnen valiesje vertrok Amparo, amper 16, naar België om er werk te zoeken.
In 1978 maakte ze kennis met Wannes van de Velde, haar "compañero", zoals ze hem voorstelde, haar metgezel en kameraad, met wie ze in verscheidene projecten ging samenwerken.
Haar passie voor de flamenco noopte haar het kartonnen valiesje weer te openen (zoals ze het zingt in de sevillana Rosas negras) en ze diepte er herinneringen uit, zoals die keer dat ze haar idool Camarón de la Isla in de processie van de gitano's tijdens de Semana Santa zag en hoorde zingen. Dat onvergetelijke feit was de aanleiding tot haar eerste cd, Sueños, waarin ze op gitaar door haar neef Enrique de Melchor werd begeleid en die begint met een Nana a Camarón.
Weinige jaren nadien, in 1999, doet ze opnieuw haar kartonnen valiesje open om haar tweede cd samen te stellen, Candela, die begint met een gedicht dat ze opdraagt aan de gitano's, met wie ze zich zo intiem vereenzelvigt (biografie in het inlegboekje, door André Fonteyne).
In 2003 publiceert ze een dichtbundel, Con la moña de jazmines, die doordrongen is van haar liefde voor Andalusië en de grote heimwee naar haar belevenissen aldaar (inleiding door Wannes van de Velde).
In 2005 ziet een derde cd het licht, Duende y amores, die zoals de titel aangeeft over liefde en verlatenheid handelt, en waar ze opkomt voor de gevoelens van de zo vaak mishandelde vrouw. Het eerste stuk, No soy canastera, opent met een gedicht dat ze aan de grote Andalusische dichter Rafael Alberti opdraagt. De sevillanas Guitarrero ven y toca draagt ze op aan het Belgische volk, waar ze zoveel aan verschuldigd is, en in het bijzonder aan haar "compañero" Wannes van de Velde, en aan Klara-producer Paul Rans, en André Fonteyne, mensen, zo zegt ze, aan wie ze een deel van haar succes te danken heeft, en aan zovele anderen, te veel om op te sommen, maar die allemaal onder haar goede vrienden te rekenen zijn.
Dat is Amparo Cortés. Hoewel een deel van haar hart in Sevilla verblijft, is het ander deel in België gevestigd, in het gezelschap van zovele vrienden die dit land haar gegeven heeft.

 JOSÉ DELGADO
(vertaald door André Fonteyne)