Amparo Cortés
 
Amparo Cortés canta por bulerías : A mi padre Manuel
 DATOS   VIDEOS   PRENSA   ENLACES   PRÁCTICAS DE GUITARRA
 BIOGRAFÍA   GALERÍA   DISCOGRAFÍA   FORMACIONES   CONTACTO 
 castellano   français   english 
 
Amparo Cortés Amparo Cortés
biografische tekst door André Fonteyne, geschreven in 1999 voor het boekje bij de CD "Candela"

Amparo Cortés is nu al zo'n twintig jaar een geliefde figuur in België. Meestal in het gezelschap van Wannes van de Velde, die haar lanceerde, en de jongste tijd ook vaak alleen met Rafael Sánchez. Een seizoentje trok ze op met haar neef de grote gitarist Enrique de Melchor, zoon van de legendarische Melchor de Marchena, en samen realiseerden ze een cd vol authentieke flamenco, 'Sueños' (MWCD 4015).
De mensen houden van haar spontaniteit, temperament en levenslust, en zijn tevens gevoelig voor een zekere kwetsbaarheid in haar zang, die haar zo menselijk maakt en nabij brengt.
Die kwetsbaarheid komt niet aIleen tot uiting in de diepere zang van haar cante jondo-repertoire, maar ook in haar zogenaamde lichtere genres. En daar is alle reden toe.
Zij is geboren in één van de armste volkswijken van Sevilla, El Cerro del Aguila, in een soort krot dat we ons hier nog moeilijk kunnen voorstellen, waar het binnenregende in de winter en waar de smeltende teer van het schamele dak 's zomers op de matrassen neerdruppelde. Honger en kou waren trouwe gezellen en haar eerste biefstuk kreeg ze eerst in België te zien, waar ze met haar moeder heentrok toen ze 16 was. Haar vader verdiende moeizaam de kost als zanger en danser onder de artiestennaam El Gitanillo de Marchena. Soms nam hij zijn dochter mee op toernee en zo leerde ze befaamde artiesten kennen als El Gordito de Triana en Antonio Mairena - die altijd haar geliefkoosde cantaor gebleven is.
Hoe arm ook, het gezin kreeg erg vaak bezoek over de vloer: grote zangers als Pepe Pinto, la Niña de los Peines, Pepe Marchena en la Perla de Cádiz, of beroemde gitaristen als Melchor de Marchena, haar grootoom. Als vader Manuel El Gitanillo iets verdiend had, moest de hele buurt in de vreugde delen en was het feest. Er werd dan gedanst en gezongen: feestelijke bulerías en sevillanas, later op de avond soleares en uiteindelijk, bij het ochtendgloren, verscheurende siguiríyas, die de hele familie deden huilen. Dat zou Amparo nooit meer vergeten.
In de jaren van Franco's dictatuur kon je eigenlijk aIleen flamenco zingen onder vrienden en familieleden. Flamenco was klacht, wat protest inhield en in elk geval niet zo gunstig klonk in een maatschappij waar alles officiëel goed moest gaan. Sevillanas waren onschuldig en ook die andere lichte genres als de rumbas en sommige volkse fandangos, die meer tot de dans aanspoorden dan tot het aandachtig beluisteren en herbeleven van de woorden.
Zingen en dansen waren voor Amparo even natuurlijk als eten en drinken en ze was nog een kind toen Pepe Pinto, in die tijd een befaamde fandanguero (specialist van de populaire fandango) en echtgenoot van de vermaarde Niña de los Peines, haar vader vroeg om haar mee op toernee te mogen hebben. Maar dat weigerde Manuel El Gitanillo: zij was te jong, en daarbij vond hij het artiestenleven veel te hard. Hij had we! graag dat ze zong, maar dan aIleen als hij erbij was. En zo ontpopte Amparo zich als een volbloed zangeres in de stijlen die toen het meest te horen waren: rumbas, sevillanas en cuplés. De massa hield van cuplés, een hybriede vorm tussen de flamenco-copla en het gewone liedje, en Franco had er niets op tegen.
De authentieke flamenco schuilde diep in haar, gevoed door de 'duende' van haar vader, de gesmoorde klacht van haar lotgenoten en van al die grote fiamenco-artiesten met wie ze in en buiten haar woning in aanraking kwam - maar die flamenco zou ze maar later naar buiten brengen.
In België deelde ze het leven van zoveel Spaanse migranten, ze werkte als poetsvrouw en in een textielfabriek en trad ondertussen op als zangeres met Wannes van de Velde. Het duurde even eer ze het verbod van haar vader te boven kwam. Hij was in Sevilla achtergebleven en vroeg gestorven, maar zijn weigering om van zijn dochter een artieste te maken werkte lang na. Geleidelijk won ze aan zelfverzekerdheid en vandaag is ze de geliefde flamencozangeres die iedereen kent.

In tegenstelling tot de meeste fiamenco-artiesten schrijft zij bijna al haar teksten zelf.
Dat was al het geval voor haar eerste cd, 'Sueños'. En ook in de cd 'Candela" is zij de auteur van tien op de elf titels. Haar man, José Delgado, uit Asturië, schreef niet 'Recordando Asturias' - wat je anders wel had verwacht - maar één van de drie sevillanas.
Flamenco-aficionados beschouwen sevillanas en rumbas niet als pure flamenco, en ze hebben niet altijd ongelijk. Sevillanas zijn vaak meer folklore dan universele kunst, en de Spaanse rumbas klinken in vergelijking tot de Afro-Cubaanse oervorm ervan erg licht. Maar ook die genres worden flamenco vanaf het ogenblik dat een pure cantaor ze zingt. En bulerías of alegrías, vroeger algemeen als 'cantes chicos' (klein) gecatalogeerd (in tegenstelling tot
'cante grande' of 'jondo') zijn even 'grande' als andere, als 'diep' geklasseerde stijlen - als ze maar gezongen worden door authentieke fiamenco-zangers als Manolo Caracol, Terremoto de
Jerez of Rancapino.
En dat bewijst ook hier Amparo Cortés. AI haar coplas getuigen van een diepe heimwee naar het geboorteland Andalusië en Sevilla, de stad waar ze haar kinderjaren doorbracht. Dat merk je duidelijk in 'Sevilla Me Falta', in 'Seguiremos Adelante', maar ook in de 'Sevillanas al Guadalquivir'. Doordrongen van de angsten die ze in haar kindsheid onderging, is de erg poëtische 'La Luna', hier gedeeltelijk begeleid op het ritme van de soleá, de maan als het unheimliches, de onbestemde dreiging van iets dat mensen meeneemt naar onbekende oorden. Een herinnering aan de verdwijning van één van Amparo's ooms, zoals ze het zelf eens vertelde in een interview. Onder de vele fandango-stijlen koos ze voor de lichtste, die van Huelva, traditioneel het meest geschikt voor de dans. Maar het leidmotief is ook hier weer een verscheurende heimwee waar de woorden 'alegría' en 'morir', vreugde en sterven, samenklinken in eenzelfde vers.
In hetzelfde interview verklaarde Amparo dat ze niet zo erg veel hield van vreemde instrumenten, fluiten en percussie, als het ging om diepe stijlen als bijvoorbeeld de soleares. In de diepste zang van deze selectie, de minera, hoor je inderdaad aileen de stem van Amparo en de gitaar van Wannes van de Velde.
'Recordando Asturias' is geen flamencozang en ook geen asturiana (traditionele zang uit het Noordelijke Asturië). Het is een persoonlijke creatie van Amparo, maar die hier toch de rijke folklore van Asturië, geboortegrond van haar echtgenoot José Delgado, oproept. Daarvoor deed ze een beroep op de volkse doedelzak, en op de draailier, die hier zeker op zijn plaats is als ondersteuning van de trage, donkere, melancholische zang van Amparo. Een uitzondering in haar repertoire, maar via haar echtgenoot ook een deel van haar leefwereld.
Als de maan muziek zou spelen, dan zou ze wellicht een voorkeur hebben voor de blanke toon van de fluit. Het is dan ook het instrument van Stefan Bracaval dat 'La Luna' inleidt, nog een creatie van onze cantaora. En de palmas van Miguel Muñoz en van Amparo wedijveren op stimulerende wijze met de percussie van Chris Joris in de sevillanas, bulerías en rumbas - ritmische genres bij uitstek.
Amparo Cortés beleeft de flamenco van haar jeugd op een heel eigen, creatieve en daardoor vernieuwende manier. Het is een vernieuwing die de essentie volledig eerbiedigt, zowel in het ritme, de melodische structuur als de poëtisch gebalde kracht, maar hier en daar wordt bijvoorbeeld een vers verlengd ('Mira chiquillo que / yo no quiero que vayas', twee verzen uit de minera die eigenlijk een 'tercio alargado' vormen) en vooral: ze maakt van de discontinue copla's een doorlopend geheel. In de traditionele flamenco vormt elke copla een wereld op zichzelf, zonder band met de volgende. Bij Amparo is er wel continuïteit, zonder daarom de synthetische beknoptheid van elke strofe te schaden - één van de hoofdkwaliteiten van de Spaanse copla. Met uitzondering misschien van 'Seguiremos Adelante' (waar je een suite van motieven rond eenzelfde grondidee hebt) vertelt elk nummer en elke cante een verhaal.
Het verhaal van Amparo, dichteres, cantaora, en misschien vooral, om een titel van Unamuno te parafraseren, 'nada menos que toda una mujer'.

 ANDRÉ FONTEYNE