Amparo Cortés
 
Amparo Cortés canta por bulerías : A mi padre Manuel
 DATOS   VIDEOS   PRENSA   ENLACES   PRÁCTICAS DE GUITARRA
 BIOGRAFÍA   GALERÍA   DISCOGRAFÍA   FORMACIONES   CONTACTO 
 
Con la moña de jazmines   >>> UITGEVERIJ P  
 

Maletas de cartón
y alpargatas rotas,
un vestido descolorido
y unas pesetas.

Eché a andar por los caminos,
rumbo de loca,
hasta que et destino dijo:
'Mira párate quieta'.

Y aqui me tenéis señores,
porque Sevilla dejé,
con rosas negras en el pelo,
porque me fui de Sevilla,
siendo lo que yo más quiero.

 

Valiezen van karton,
versleten alpargata's,
een verkleurde mantel
en een paar pesetas.

Ik doolde langs de wegen
als een gekkin,
tot het lot me zei:
'Blijf staan'.

En hier ben ik dan, mijne heren,
omdat ik Sevilla achterliet,
zwarte rozen in mijn haren,
omdat ik Sevilla verliet,
de plek waar ik het meest van hou.

 
 

INTRODUCCIÓN por Wannes Van de Velde
  
Amparo Cortés tenía dieciséis años cuando vino a Bruselas, acompañada de su madre, a buscar trabajo. No tenía ni un centavo, pero en sus 'maletas de carton' llevaba un tesoro de imagenes y recuerdos cuyo valor ni ella
misma sospechaba.
Era la herencia de una Andalucía aún profundamente anclada en el humus del momento cultural en el cual cristianos, judíos y musulmanes habían fertilizado mutuamente su herencia, una mezcla que había llevado a colmos insospechados de ciencia, mística y poesía.
Amparo provenía de Sevilla, del barrio Cerro del Aguila que en cuanto a su tejido social y costumbres de vida puede compararse tal vez con el antiguo 'Patershol' de Gante, las Marolles de Bruselas o el barrio de San Andrés en Amberes. Cerro del Aguila era entonces una fusión multicolor pero coherente de gente nacida del germen de la antigua Europa.
El padre de Amparo, Manuel Cortés Jiménez,
el 'Gitanillo de Marchena', era un cantaor y bailaor de flamenco que participaba en las grandes giras de personajes como Pastora Pavón, Pepe Pinto, Gordito de Triana y otros. Había nacido en la pequeña ciudad de Marchena y descendía del clan gitano de los Nabitos, un ambiente en el que la exaltación del cante jondo era un aspecto natural de la vida cotidiana.
Su padre no le acompañaba a Amparo a Bélgica, prefería quedarse en España. Es posible que tuviera la intención de unirse luego con su esposa y su hija, pero eso no sucedió. El hombre murió poco tiempo después y Amparo no pudo ver a su padre antes de que este muriera. Ese adiós imposible le iba doler siempre. 'No pude decirte adiós', la siguiríya en la cual Amparo expresa este dolor, es uno de sus textos mas bellos.
Quisiera llamarle a Amparo 'la sibila de la nostalgia', porque en ella perdura de manera tan fuerte su pasado, como si formara parte de otros siglos, de otra dimension, como si no fuese la distancia geográfica sino el dolor de un tiempo perdido lo que le molesta y embruja.
Este dolor también es la fuente de su escritura.
Día tras día Amparo escribe en la exaltación de una adicción generosa. Cuando voy a visitarle,
en la antigua casa a la sombra de la basílica de Laken, me enseña sus cuadernos y me lee con entusiasmo sus nuevos textos sobre su enamoramiento de la vida, los movimientos del sol y de las estrellas, la luna que invoca como si fuera un alma gemela con la cual comparte sus angustias y que siempre le da nuevos bríos a su ánimo. 0 se deja seducir por el viaje místico del gitano, del cantaor, del narrador, bailarín y herrero, humillado y perseguido por una cristiandad implacable, como si hubiera forjado los clavos para el asesinato de Jesús de Nazareth!
Luego surge el sueño que ella vive como una realidad vivida conscientemente. 'La vida es sueño', pero ¿qué es sueño, qué es realidad? Confundidos y confusos quedamos en el camino que se ha vuelto río y resballamos por las orillas que enamorados tocamos pero que siempre tenemos que dejar.
¿Y la muerte? ¿La muerte prometiendo consuelo y silencio? Para Amparo la muerte es, tal como la luna, una persona, una mujer con quien charla libremente y sin angustia. ¿Por qué tener miedo de la muerte si podemos conjurarla con nuestros cantos?
   
Traducción al español: Bart Vonck

 

INLEIDING door Wannes Van de Velde
  
Toen Amparo Cortés als meisje van zestien samen met haar moeder in Brussel arriveerde om er werk te komen zoeken, had ze geen cent op zak, maar in haar 'maletas de carton' bracht ze een schat aan beelden en herinneringen mee, waarvan ze de waarde en de rijkdom toen wellicht zelf nog niet besefte.
Het was de erfenis van een Andalusië dat nog diep geworteld was in de humus van het veelgelaagde cultuurmoment waarin christenen, joden en moslims elkaars erfenis hadden bevrucht en naar ongekende hoogten van wetenschap, mystiek en poezie hadden weten te voeren.
Zij kwam uit Sevilla, uit de wijk Cerro del Aguila, die wat sociaal weefsel en leefgewoonten betreft, misschien wel te vergelijken is met het vroegere Patershol in Gent, de Brusselse Marollen of het Antwerpse Sint-Andrieskwartier, een veelkleurige maar coherente samensmelting van mensen uit de gist van het oude Europa.
Haar vader, Manuel Cortés Jiménez 'Gitanillo
de Marchena', was een flamencozanger en
-danser, die bij tijden meedraaide in tournees rond grote figuren als Pastora Pavón, Pepe Pinto, Gordito de Triana en andere. Hij kwam
uit het stadje Marchena en stamde uit de gitanoclan van de 'Nabitos', een milieu waar de vervoering van de cante jondo een natuurlijk aspect van het dagelijks leven vertegenwoordigde.
Hij is toen niet meegekomen naar Belgie, hij
gaf er de voorkeur aan in Spanje te blijven. Mogelijk was hij van plan zijn vrouw en dochter later te volgen, maar dat heeft niet meer mogen zijn, de man is kort daarna gestorven, en Amparo heeft haar vader, voor zijn dood niet meer kunnen zien. Het blijft een pijn, dat afscheid dat ze niet heeft kunnen nemen.
'No pude decirte adiós', de siguiríya waarin ze aan dat verdriet uiting geeft, is een van haar mooiste teksten.
Ik zou Amparo Cortes een sibille van het heimwee willen noemen, zo sterk leeft in haar dat hele verleden, dat wel tot andere eeuwen lijkt te behoren, of tot een andere dimensie, alsof het niet de geografische afstand is, dan wel de pijn om een verdwenen tijd die haar plaagt en behekst.
In die pijn ligt ook de bron van haar schrijven.
Amparo schrijft, dag aan dag, als in de roes van een weldoende verslaving. Telkens ik haar ga bezoeken, in het oude huis in de schaduw van de Lakense basiliek, toont ze me haar cahiers en leest ze me geestdriftig haar nieuwste teksten voor, over haar verliefdheid op het leven, de beweging van zon en sterren, de maan, die ze aanspreekt als was het een gelijkgestemde ziel waarmee ze haar angsten deelt en die haar steeds weer nieuwe moed weet in te fluisteren. Of ze laat zich meevoeren op de mystieke reis van de zigeuner, zanger, verteller, danser en smid, vernederd en vervolgd door een meedogenloze christenheid, omdat hij de spijkers voor de terechtstelling van Jezus van Nazareth zou hebben gesmeed!
En dan is er de droom, die zij beleeft als een bewust ervaren realiteit. 'La vida es sueño', maar wat is droom en wat is reëel? Verward, verwaaid, blijven we onderweg als een rivier, glijden langs oevers die we verliefd beroeren, maar steeds weer los moeten laten.
En de dood? La muerte, die troost en stilte belooft? Voor Amparo is ook zij, net als de maan, een persoon, een vrouw waarmee ze vrij-uit praat, zonder angst. Want waarom
bang zijn voor de dood, wanneer we haar
met onze zangen kunnen bezweren?

 
 

Siguiríyas voy cantando
por la orilla del río,
y con lágrimas y pena
lavo yo el sentir mío.

Me emborracho con olores
que despide al campo santo,
y de luto voy llorando
porque mi alma voy enterrando.

Siguiríyas voy cantando
con términos muy cabales.
Si en verdad existe un Diós,
que me quite to' mis males.

 

Siguiríyas zing ik nu
langs de oever van de rivier,
en met tranen en met smart
was ik mijn gevoelens.

Ik bezat me aan de geuren,
de dampen van het campo santo,
en ween van rouw
omdat ik er mijn ziel begraaf.

Siguiríyas zing ik nu,
met waardige slotwoorden.
Zo er echt een God bestaat,
dat Hij me dan bevrijde van het kwaad.